Wie in een grootstad woont of er regelmatig passeert, kan er niet omheen: de elektrische step of e-step. Je kan er zelf Ă©Ă©n kopen of je kan er eenvoudigweg eentje ontlenen want op alle hoeken van de straat zie je ze tegenwoordig staan. Zo biedt bijvoorbeeld stad Genk ook elektrische steps aan, zijnde ZOEFF steps (Thor Central). Zo kan je volgens stad Genk op een hippe en milieuvriendelijke manier de stad ontdekken. Voor veel mensen is het dus een handig vervoermiddel, maar met toenemend gebruik van de elektrische steps, is er ook sprake van een toename aan verkeersongevallen.

Eind april 2022 verscheen een reportage op “Terzake” dat het stijgend aantal verkeersongevallen met elektrische steps belichtte. In deze reportage waarschuwen artsen dat het aantal letselongevallen met elektrische steps fors toeneemt. Zo gebeurden er vorig jaar gemiddeld drie ongevallen per dag, maar deze cijfers zouden ver van de werkelijkheid liggen, zo blijkt uit de reportage. Politie registreert enkel verkeersongevallen waar een derde partij bij betrokken is of waarbij het slachtoffer levensgevaarlijk gewond is.

Ondanks het feit dat de elektrische step, maar ook de verkeersongevallen die ermee gepaard gaan, regelmatig het nieuws halen, is het antwoord op de vragen waar slachtoffers naar Belgisch recht kunnen aankloppen voor vergoeding van hun schade en wanneer er een verzekering aan te pas komt, onderbelicht.

Gedurende deze vormingssessie zullen wij de toepassing van de WAM op elektrische steps nader bespreken en tevens een antwoord bieden op voormelde vragen.

1. INTRODUCTIE: DE VERZEKERINGSPLICHT

De algemene regel waarvan uitgegaan moet worden is dat motorrijtuigen alleen worden toegelaten tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna: WAM-wet) voldoet en waarvan de werking niet is geschorst.

Samengevat, alle motorrijtuigen die op de openbare weg komen of op terreinen toegankelijk voor het publiek of slechts voor een aantal personen, moeten verzekerd zijn conform de bepalingen van de WAM-wet (artikel 2, § 1 WAM-wet).

De wetgever heeft de verzekeringsplicht dus afhankelijk gemaakt van twee elementen:

Het lijkt mij te verregaand moest ook “de plaats waar het voertuig zich bevindt” uitvoerig besproken worden. De toepassing van de WAM op voortbewegingstoestellen in het algemeen is immers reeds complex.

Misschien kan kort aangehaald worden dat de verzekeringsplicht voor motorrijtuigen van toepassing is op de openbare weg en openbare plaatsen (bijvoorbeeld een casus gehad waar een niet verzekerd voertuig geparkeerd stond op een parking van een horecazaak. De parkeerplaats in kwestie behoorde toe aan de huurder van de horecazaak, maar was niet onderscheiden van de overige parkeerplaatsen. Verzekeringsplicht is geschonden oordeelde de rechtbank, nu de plaats in kwestie wel privé-eigendom betreft, doch voor een zeker aantal personen toegankelijk is die het recht hebben er te komen (bezoekers van de horecazaak).

Wie zich enkel op privéterrein verplaats, hoeft geen WAM-verzekering af te sluiten.

 

Verzekeringsplicht strekt zich dus uit over alle motorrijtuigen. Voor het begrip motorrijtuigen dient verwezen te worden naar artikel 1 van de WAM-wet:
“Rij- of voertuigen bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden.”

 De wetgever heeft een zo ruim mogelijke interpretatie gegeven aan het begrip motorrijtuig. De aard van de mechanische kracht heeft geen belang. Of het voertuig wordt aangedreven door een verbrandingsmotor of door een elektrische motor maakt geen verschil uit.

Verder dient te worden opgemerkt dat artikel 1 spreekt over “kunnen worden gedreven”. De wetgever heeft hiermee beoogd dat motorrijtuigen die door een mechanische kracht kunnen voortbewogen worden, tevens onder de verzekeringsplicht vallen. Dit heeft zijn belang voor specifieke gevallen: bijvoorbeeld een stilstaand rijvaardig motorrijtuig dient te worden verzekerd, een auto die gesleept wordt, dient tevens te worden verzekerd, etc. Valt niet onder de verzekeringsplicht, een wrak van een sedert lang buiten gebruik zijnde vrachtauto, waaruit de motor en allerhande onderdelen zijn weggehaald, etc.

Op basis van de algemene regel moet men in principe een aansprakelijkheidsverzekering afsluiten voor elk motorrijtuig.

 

Belangrijke nuance. De WAM voorziet in een uitzonderingsregime op deze algemene regel dat voor elk motorrijtuig een aansprakelijkheidsverzekering dient te worden afgesloten. Hiervoor dient te worden verwezen naar artikel 2bis WAM.

Artikel 2bis WAM is een nieuw artikel, ingevoerd bij wet van 2.05.2019 en in werking getreden op 1.06.2019.

Voertuigen die wel onder de definitie van ‘motorrijtuig’ vallen, zijn toch niet onderworpen aan de verzekeringsplicht, op voorwaarde dat die voertuigen door een mechanische kracht niet sneller kunnen rijden dan 25 km/u. De parlementaire voorbereiding somt bij wijze van voorbeeld een aantal voertuigen op. Het gaat over elektrische rolstoelen, hoverboards, zelfbalancerende toestellen, elektrische skateboards, elektrische fietsen, miniquads en minimoto’s, voor zover ze rijden met een maximale autonome snelheid van 25 km/u.

Aanvankelijk was het zo dat bromfietsen klasse A niet onder het uitzonderingsregime van artikel 2bis WAM vielen.

In de parlementaire voorbereidingen wordt dit verantwoord door te verwijzen naar de kinetische energie. Aangezien een bromfiets klasse A al snel 80 tot 100 kg weegt en een elektrische fiets gemiddeld 20 tot 30 kg weegt, inclusief de batterij, zou het gerechtvaardigd zijn dat de bromfiets klasse A onderhevig blijft aan de verzekeringsplicht. De kinetische energie aan eenzelfde snelheid is door het grotere gewicht immers significant groter.

Het Grondwettelijk Hof heeft middels arrest 28 januari 2021 geoordeeld dat wat dit punt betreft, artikel 2bis WAM de artikelen 10 en 11 Grondwet schenden. Het onderscheid steunde enkel op de maximale snelheid van de voertuigen, zonder hun massa in aanmerking te nemen.

De wetgever heeft het arrest van het Grondwettelijk Hof niet afgewacht om reeds de ongrondwettigheid recht te zetten. Artikel 2bis WAM bepaalt sedert de wetswijziging doorgevoerd middels de wet houdende diverse bepalingen inzake Economie van 2 februari 2021, dat ook motorrijtuigen die voor andere doeleinden bestemd zijn dan het zich enkel verplaatsen aan de verzekeringsplicht onderworpen blijven.

Motorrijtuigen die door hun mechanische kracht 25 km/u niet overschrijden, zijn dus vrijgesteld van de verzekeringsplicht, behalve de bromfietsen klasse A  en de motorrijtuigen die niet bestemd zijn om zich ermee te verplaatsen maar ook nog een andere bestemming hebben.

Hiermee neemt de wetgever naast de snelheid niet uitdrukkelijk de massa van het motorrijtuig in aanmerking als onderscheidend criterium.

Het criterium tussen voertuigen op basis van hun bestemming moet dus traag rijdende motorrijtuigen met een grote massa, zoals bulldozers, vorkheftrucks of landbouwvoertuigen uitsluiten van de vrijstelling.

Hier dieper op ingaan, zou ons te ver leiden, maar we geven het wel mee voor de volledigheid.

2. DE INVULLING VAN HET BEGRIP MOTORRIJTUIG: TWEE VISIES

Maar hoe pas je deze regel toe op voortbewegingstoestellen, zoals elektrische steps?

Motorrijtuigen worden gedefinieerd in artikel 1 WAM als rij- of voertuigen die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven.

Artikel 2bis WAM stelt motorrijtuigen bedoeld in artikel 1, eerste lid, die door de mechanische kracht van 25 km/u niet overschrijden vrij van de verzekeringsplicht.

Om te weten welke voertuigen een motorrijtuig zijn en dus verplicht een WAM verzekering dienen af te sluiten, dan wel kunnen genieten van de vrijstelling voorzien in artikel 2bis WAM, moeten we dieper ingaan op de invulling van het begrip “mechanische kracht”.

In België heerst er de laatste jaren een enge visie, terwijl de Europese Unie en onze noorderburen een ruimere visie hanteren. Beide visies zullen kort worden toegelicht.

2.1. Enge visie: heersende visie in België

De parlementaire voorbereiding somt bij wijze van voorbeeld een aantal motorrijtuigen op die geviseerd worden door artikel 2bis WAM. Het gaat onder meer over elektrische rolstoelen, hoverboards, elektrische fietsen, etc. voor zover ze rijden met een maximum snelheid van 25 km/u.

De snelheidsgrens van 25 km/u slaat volgens de parlementaire voorbereiding op de snelheid die het motorrijtuig kan halen als het autonoom rijdt.

Een motorrijtuig is volgens de rechtsleer een voertuig uitgerust met een motor, waardoor het autonoom, op eigen kracht kan rijden. Door een mechanische kracht kunnen worden gedreven uit de definitie van artikel 1 WAM moet volgens deze rechtsleer dus geïnterpreteerd worden als “kunnen voortbewegen zonder spierkracht.”

Dus wanneer het voertuig zich voortbeweegt door menselijke kracht met een mechanische ondersteuning, maar de mechanische kracht niet tot gevolg heeft dat het voertuig autonoom kan rijden, zou er geen sprake zijn van een motorrijtuig.

De rechtsleer komt tot deze conclusie, door eenvoudigweg te kijken naar de betekenis van “aandrijven” zoals terug te vinden in Van Dale. “Aandrijven” wordt gedefinieerd als “op mechanische wijze in beweging brengen”. Deze definitie suggereert aldus een mechanische kracht die het voertuig in beweging brengt en houdt. Pas dan is er sprake van een motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM.

Bijvoorbeeld, een elektrische fiets met loutere trapondersteuning is dan geen motorrijtuig, omdat steeds ook menselijke kracht vereist is. De mechanische kracht van de motor alleen kan de fiets niet laten voortbewegen.

Men zal dus geval per geval moeten nagaan of het voertuig een motorrijtuig is dat door mechanische kracht kan worden gedreven. Volgens de voorstanders van de enge visie houdt dit in dat het voertuig autonoom moet kunnen rijden zonder dat menselijke kracht nodig is om het voertuig in beweging te brengen of te houden. Er moet daarbij geen rekening worden gehouden met de snelheid die het voertuig kan halen, enkel de aanwezigheid van mechanische kracht is relevant.

Wie dus met een gewone step de openbare weg op gaat, verplaatst zich aldus met een niet-gemotoriseerd voortbewegingstoestel dat uiteraard geen motorrijtuig is in de WAM.

Tegenwoordig bestaan er evenwel elektrische steps die volledig autonoom rijden, door middel van een knopje op het stuur. Aangezien zo’n elektrische step voortbeweeg louter op basis van de elektromotor, betreft dit een motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM.

Maar de technologie staat uiteraard niet stil, er bestaat ook een tussencategorie bij elektrische steps waar de motor enkel ondersteuning biedt en de spierkracht nog steeds nodig is. Enkel bij het afzetten van de voet, zal de motor de gebruiker van de step ondersteunen. Aangezien de step in dat geval niet op eigen kracht van de motor in beweging kan worden gebracht en gehouden, vallen dergelijke steps volgens de enge visie niet onder de definitie van motorrijtuig.

2.2. De ruime visie: Nederlandse en Europese visie

Rechtsleer die zich schragen achter de ruime visie, geven een andere invulling aan de eerder besproken terminologieën.

Alleen voertuigen die vooruitgaan door enkele spierkracht worden uitgesloten van de WAM. Elk voertuig dat zich kan voortbewegen door een kracht anders dan loutere spierkracht valt volgens de ruime visie onder de definitie van motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM.

Zodra de motor ondersteuning biedt en dus niet enkel spierkracht wordt gebruikt om het voertuig voort te bewegen, is er sprake van een motorrijtuig.

Deze auteurs halen hun mosterd bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 en de gemeenschappelijke bepalingen daarbij. De gemeenschappelijke toelichting stelt dat er rij-of voertuigen bestaan die van een motor zijn voorzien en die door die motor of door spierkracht kunnen worden voortbewogen, waarbij de keuze van het middel van voortbeweging afhangt van diegene die het rij- of voertuig gebruikt, zoals rijwielen met hulpmotor. De Benelux Overeenkomst bepaalt dat ook deze voertuigen aan de verplichte verzekering onderworpen zijn.

Aangezien de wet van 21 november 1981 in overeenstemming diende te zijn met de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966, komen auteurs die de ruime visie genegen zijn tot de conclusie dat voertuigen waar een motor ondersteuning biedt, tevens onder toepassing van de WAM dienen te vallen.

Overeenkomstig de ruime visie, zouden dus zowel steps die volledig autonoom rijden, als steps waar de motor louter ondersteuning biedt en spierkracht nog steeds nodig is, motorrijtuigen betreffen in de zin van artikel 1 WAM.

Dit is echter een visie die vooral bij onze Noorderburen een weerslag kent, maar geen voet aan wal krijgt in België.

3. TUSSENTIJDSE CONCLUSIE

Belgische rechtspraak en rechtsleer gaat zoals eerder gezegd uit van de enge visie.

De vraag voor toepassing van de WAM zal dus zijn of het voertuig autonoom kan voortbewegen. Voertuigen waarbij de motor enkel zorgt voor een ondersteuning van de spierkracht, vallen niet onder het begrip motorrijtuig van artikel 1 WAM. Kan de elektrische step dus enkel voortbewegen wanneer de stepper zich afzet met de voet waarbij de motor enkel ondersteuning biedt (in die zin dat de step stopt wanneer niet langer wordt gestept), dan is de step geen motorrijtuig.

In dat geval geldt principieel geen verzekeringsplicht.

Beweegt de step voort (door het louter draaien aan of induwen van een knop aan het stuur) zonder dat de stepper zich steeds moet afzetten met de voet zodat de motor meer dan enkel ondersteuning biedt, dan gaat het wel om een motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM.

Alvorens te weten of voor dergelijke autonoom rijdende steps een verzekeringsplicht geldt, waarover verder meer, zal men moeten nagaan of men onder het uitzonderingsregime van artikel 2bis WAM valt (snelheid < 25 km/u en louter verplaatsing op het oog hebben).

4. AANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING

Nu we bepaald hebben wanneer een elektrische step een motorvoertuig uitmaakt (autonoom kan voortbewegen en kan blijven voortbewegen zonder gebruik van spierkracht), dient er nader ingegaan te worden op de aansprakelijkheidsverzekering.

Immers, terugkoppelen naar de algemene regel: alle motorrijtuigen die op de openbare weg komen of op terreinen toegankelijk voor het publiek of slechts voor een aantal personen moeten verzekerd zijn conform de bepalingen van de WAM-wet (artikel 2, § 1 WAM-wet).

Concreet dient men drie categorieën van voertuigen te onderscheiden:

 

4.1.  Geen motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM

Voertuigen die geen motorrijtuigen zijn in de zin van artikel 1 WAM (denk aan de klassieke step), vallen niet onder het toepassingsgebied van de WAM. Voor hen geldt met andere woorden geen verplichte aansprakelijkheidsverzekering.

Een familiale verzekering daarentegen kan wel aangewezen zijn, waarover verder meer.

4.2. Wat is de snelheid van het motorrijtuig?

Eens bepaald is of de elektrische step een motorrijtuig is, rijst na de wet van 2 mei 2019 (zoals eerder gezegd gewijzigd middels de Wet houdende diverse bepalingen inzake Economie van 2 februari 2021) de volgende vraag: kan de elektrische step door de mechanische kracht sneller gaan dan 25 km/u?

Die vraag is van belang voor de toepassing van de verzekeringsplicht van artikel 2, § 1 WAM en de verzekeringsvoorwaarden van de WAM. Het ingevoerde artikel 2bis , eerste lid WAM bepaalt immers dat motorrijtuigen die door de mechanische kracht 25 km/u niet overschrijden, niet onderworpen zijn aan de verzekeringsplicht.

Voor zover de elektrische step dus binnen de definitie van motorrijtuig van artikel 1 WAM valt , is ze toch niet onderworpen aan de verzekeringsplicht als ze niet sneller kan gaan dan 25 km/u. Het gaat dan om een vrijgesteld motorrijtuig.

Indien de elektrische step binnen de definitie van motorrijtuig van artikel 1 WAM valt en tevens een snelheid haalt van 25 km/u of meer, dan geldt de vrijstelling van artikel 2bis, eerste lid WAM niet en is er met andere woorden een verzekeringsplicht.

4.3. Wat kan de verzekeringsmakelaar doen indien geen aansprakelijkheidsverzekering afgesloten moet worden?

Indien men met zijn step, of enig ander voortbewegingstoestel, niet onder het toepassingsgebied van de WAM valt, dan wel indien men slechts een snelheid van 25 km/u kan halen, dan dient er geen aansprakelijkheidsverzekering te worden afgesloten.

Als verzekeringsmakelaar moet men dan niet bij de pakken blijven zitten. Een ongeluk schuilt immers in een klein hoekje, zodat een familiale verzekering altijd een goed idee is.

De verzekering BA Privéleven dekt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven, meer bepaald de aansprakelijkheid krachtens de artikelen 1382 tot en met 1386bis van het Burgerlijk Wetboek en gelijkaardige bepalingen van buitenlands recht (art. 1 KB BA Privéleven).

De uitsluiting van dekking voor schade voortvloeiend uit buitencontractuele aansprakelijkheid die onderworpen is aan een wettelijk verplicht gestelde verzekering (art. 6, 1° KB BA Privéleven) speelt niet langer, aangezien voortbewegingstoestellen die door de mechanische kracht 25 km/u niet overschrijden niet meer onderworpen zijn aan de verplichte WAM-verzekering.

Het initiatief om de aansprakelijkheid voor deelname aan het verkeer te verzekeren aan de hand van een verzekering BA Privéleven ligt nu bij de gebruiker zelf.

5. WAT MET SLACHTOFFERS VAN EEN VERKEERSONGEVAL?

5.1. Ik word als stepper aangesproken

Is de elektrische step een motorrijtuig met verzekeringsplicht, dan kan het slachtoffer de WAM-verzekeraar van de elektrische step aanspreken.

Is het slachtoffer bestuurder van een ander motorrijtuig, dan zal dat enkel slagen in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de stepper (artikel 3 WAM).

Is het slachtoffer een zwakke weggebruiker (een voetganger, fietser (met uitzondering van de elektrische fiets die kwalificeert als een motorrijtuig met verzekeringsplicht (zelfde principes als hoger uiteengezet), passagier van de elektrische step of een ander motorrijtuig, bestuurder van een vrijgesteld motorrijtuig zoals een vrijgestelde elektrische step, etc.) dan kan het slachtoffer een beroep doen op de vergoeding van artikel 29bis WAM ten aanzien van de WAM-verzekeraar van de step.

Is de elektrische step een vrijgesteld motorrijtuig, dan is er geen verplichting om een WAM-verzekering af te sluiten. Ook de piste van artikel 29bis WAM voor de zwakke weggebruiker is onbestaande.

Zowel de bestuurder van een ander motorrijtuig als een zwakke weggebruiker, moeten de aansprakelijkheid van de stepper dan eerst bewijzen via het gemeen aansprakelijkheidsrecht. Die aansprakelijkheid kan, zoals hoger aangehaald, wel gedekt zijn door bijvoorbeeld een niet-verplichte familiale verzekering.

De wet van 2 mei 2019 zorgt wel voor bescherming van het slachtoffer aangezien het bij gebrek aan een verzekering of dekking het Gemeenschappelijk Waarborgfonds kan aanspreken (artikel 19 bis -11, §1, 9° WAM). Het Fonds behoudt een subrogatierecht op de aansprakelijke.

Is de elektrische step geen motorrijtuig, dan gelden dezelfde principes als in de voorgaande hypothese, met dat verschil dat er geen vergoeding kan worden gekregen van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds. Alleen daarvoor is het onderscheid tussen de kwalificatie als geen motorrijtuig of vrijgesteld motorrijtuig dus relevant.

5.2. Ik vraag als stepper een vergoeding voor geleden schade

Is de elektrische step een motorrijtuig met verzekeringsplicht, dan is de stepper als gewonde bestuurder van een motorrijtuig geen zwakke weggebruiker in de zin van artikel 29bis WAM.

Men kan enkel een vergoeding verkrijgen via het gemeen aansprakelijkheidsrecht (en de aansprakelijkheidsverzekering). Gaat het om schade veroorzaakt door een ander motorrijtuig, dan kan hij de WAM-verzekeraar van dat motorrijtuig aanspreken (artikel 3 WAM). I

Is de aansprakelijke bestuurder van een vrijgesteld motorrijtuig, dan kan de stepper mogelijk een beroep doen op een niet verplichte familiale verzekering en bij gebrek aan een verzekering of dekking op het Gemeen schappelijk Waarborgfonds (artikel 19 bis -11, §1, 9° WAM). Het Fonds behoudt een subrogatierecht op de aansprakelijke.

Is de elektrische step een vrijgesteld motorrijtuig, dan is de stepper te beschouwen als een zwakke weggebruiker in de zin van artikel 29bis WAM. Is er een tweede motorrijtuig met verzekeringsplicht betrokken bij het ongeval, dan kan de stepper een beroep doen op de automatische vergoedingsregeling van artikel 29bis en de WAM-verzekeraar van dit tweede motorrijtuig aanspreken.

Is er een tweede vrijgesteld motorrijtuig betrokken bij het ongeval, dan zal daarvoor geen WAM-verzekering afgesloten zijn en is ook de piste van artikel 29bis WAM voor de stepper onbestaande.

Hij zal eerst de aansprakelijkheid van de andere bestuurder moeten bewijzen via het gemeen aansprakelijkheidsrecht. Die aansprakelijkheid kan opnieuw gedekt zijn door een niet verplichte familiale verzekering. Bij gebrek aan een verzekering of dekking, kan de stepper het Gemeenschappelijk Waarborgfonds aanspreken (artikel 19 bis -11, § 1, 9° WAM).

Is de elektrische step geen motorrijtuig, dan gelden dezelfde principes als in de voorgaande hypothese.